Weeruitleg



 

De gevoelstemperatuur oftewel windchill:


De gevoelstemperatuur kan flink afwijken van de temperatuur, die gemeten wordt met een thermometer. Een thermometer heeft geen gevoel, vandaar dat de gevoelstemperatuur niet met een thermometer gemeten kan worden.
De temperatuur die iemand ervaart is afhankelijk van de luchtvochtigheid, de windsnelheid, de straling van de zon en de wijze waarop een persoon gekleed is.
De Amerikaan Steadman heeft een formule ontwikkeld, waarmee bepaald kan worden hoe iemand een bepaalde temperatuur ervaart. Zijn berekening is gebaseerd op het evenwicht tussen warmteverlies en warmteproduktie van een gezond persoon. Hij gaat ervan uit dat de kleding normaal is voor de weersomstandigheden en dat de persoon in de buitenlucht wandelt met een snelheid van bijna vijf kilometer per uur.
Er zijn echter wel meer methoden om de gevoelstemperatuur te bepalen, maar de methode van Steadman is in ons land het meest bekend.

 

LUCHTVOCHTIGHEID


De luchtvochtigheid is van groot belang voor ons welbevinden bij een bepaalde temperatuur, maar ook voor het voorkomen van bepaalde weersverschijnselen. Wordt de luchtvochtigheid 97 % of hoger dan neemt de kans op mist snel toe. Voor de meeste mensen is een luchtvochtigheid tussen 50 en 70 procent aangenaam, ook in huis. Een lage luchtvochtigheid ervaren veel mensen als koud of schraal. Dit komt omdat droge lucht veel vocht aan het lichaam kan onttrekken, en het verdampen van dit vocht kost veel warmte. Vandaar bijvoorbeeld dat natte kleding koud aanvoelt.

Het dauwpunt hangt nauw samen met de luchtvochtigheid. Is de luchtvochtigheid 100 % dan zijn natteboltemperatuur en het dauwpunt gelijk aan de gewone temperatur, die ook wel droge boltemperatuur wordt genoemd. De luchtdruk heeft ook nog een geringe invloed op de dauwpuntstemperatuur en de natteboltemperatuur.

Met het dalen van de temperatuur, zoals s'-avonds neemt de relatieve vochtigheid gewoonlijk toe, omdat de daadwerkelijke hoeveelheid vocht in de lucht niet of nauwelijks verandert. Op een gegeven moment kan de lucht zover afkoelen dat het dauwpunt wordt genaderd, en dan zien we niet alleen dauw op het gras, maar ook kan er mist ontstaan. Omdat het tijdens rustige nachten nabij de grond het snelst afkoelt, ontstaat er eerst vlak bij de grond mist, en dat zien we bijvoorbeeld aan het ontstaan van grondmistbanken, die steeds hoger en dichter kunnen worden.

Het dauwpunt vertelt ons nog meer. Gewoonlijk wordt de temperatuur met de hoogte steeds lager. Gemiddeld is dit circa 0.55 °C per 100 meter. Ten tijde van een buiig weertype kan dit 1 °C per 100 meter zijn. De lucht stijgt dan nabij de grond op, omdat deze veel warmer is dan op grote hoogte. In de winter ontstaat dit doordat de bovenlucht sterk kan afkoelen als gevolg van aanvoer van lucht vanaf hoge breedten en in de zomer kan dit vooral boven steden en boven het zand van de Heuvelrug voorkomen. Vandaar dat we in de zomer juist boven die gebieden het eerst stapelwolken en buien zien ontstaan. Zonder al te veel op theorie in te gaan kunnen we stellen dat als het verschil tussen de temperatuur en het dauwpunt 1 graad is, de onderkant van de stapelwolken zich op 125 meter hoog bevindt. En zo bevindt tijdens een mooie zomerdag met een temperatuur van 24 graden en een dauwpuntstemperatuur van 14 graden de wolkenbasis zich op 1250 meter hoog. En zo kan een ballonvaarder of een sportvlieger berekenen of hij veilig de lucht in kan! En we zien tevens dat als de lucht droger is, er moeilijker wolken zullen ontstaan, en dat de wolken tevens hoger boven ons hoofd hangen dan in vochtigere lucht.

De natte boltemperatuur is van belang om te bepalen hoever natte vaste voorwerpen op zeker moment kunnen afkoelen, maar ook in welke vorm neerslag kan vallen. Als gevolg van het verdampen van neerslag koelen voorwerpen, maar ook de neerslag zelf af, totdat de natteboltemperatuur is bereikt. 
Bij regenval bij temperaturen net boven nul, maar natteboltemperaturen net onder nul kan het regenwater op bv bruggen en opritten en kunnen problemen ontstaan in het verkeer.
Op wegen kan de neerslag onder dergelijke omstandigheden aanleiding geven tot ijzel, en dus gladheid... als de wegdektemperaturen laag genoeg zijn.
Zijn de natteboltemperaturen boven nul, dan is de neerslagvorm regen, maar omdat vallende sneeuw tijd nodig heeft om te smelten, kan er ook bij natteboltemperaturen tot ongeveer +3 °C natte sneeuw voorkomen. Meestal is de dikte van de luchtlaag, waarin de smeeuwvlok smelt 200 tot 300 meter. Daarom is de kans op sneeuw bovenop een berg iets groter dan in het dal.

Hagel valt veel sneller dan sneeuw, vandaar dat ook bij vele hogere temperaturen dan bij sneeuw hagel kan vallen.
De grote hagelstenen die tijdens zomerse onweersbuien kunnen vallen, zijn na een val van 3 kilometer door een luchtlaag met temperaturen boven nul nog niet gesmolten! Bovendien vallen de grote hagelstenen veel sneller dan de kleinere winterse (korrel)hagelsteentjes.
Dit is ook de reden dat de temperatuur tijdens regenval enkele graden afkoelt.
Valt de regen aanvankelijk door droge lucht kan die afkoeling zelfs meer dan vijf graden zijn en kan in de winter op deze wijze de regen soms overgaan in sneeuw.
  

 


 





© 2008-2010 Weerstation Vragender | Realisatie door Robin Mulderij